Inleiding Bijen aan de Achtersloot
In onze tuin leven drie gezonde honingbijenvolken die we met kennis, aandacht en een natuurlijke aanpak begeleiden. We grijpen alleen in wanneer dat nodig is, waardoor de volken rustig en veerkrachtig blijven.
Rondom de kasten hebben we een leefgebied gecreëerd waar ook andere bestuivers volop profiteren. Er zijn inmiddels twee hommelnesten gevonden, en voor wilde bijen bieden we diverse nestplekken: bijenhotels, een bijenburcht en bundels holle stengels. Dankzij een doordachte mix van inheemse én uitheemse planten is er van vroeg voorjaar tot laat najaar een doorlopende voedselbron beschikbaar.
Het resultaat is een tuin waar bijen, hommels, vlinders én mensen zich thuis voelen. Met onze ervaring laten we zien dat een biodiverse tuin haalbaar is voor iedereen — en we werken graag samen met onze omgeving om het landschap nog rijker en aantrekkelijker te maken voor deze onmisbare dieren.
Honingbij
De honingbij is een van de meest fascinerende sociale insecten die we kennen. Een enkel volk bestaat uit tienduizenden bijen die in volmaakte harmonie samenleven en samenwerken. Elke bij heeft een eigen, gespecialiseerde rol: van de werksters die nectar, stuifmeel, water en propolis verzamelen tot de voedsterbijen die het broed verzorgen, de darren die zorgen voor genetische diversiteit en de ene koningin die het hart vormt van het hele volk. Hun communicatie is even bijzonder als efficiënt: via feromonen en de beroemde bijendans wisselen ze informatie uit over voedselbronnen, taken en de gezondheid van het nest.
We kennen de honingbij vooral van haar producten: de geurige honing die ze als wintervoorraad aanlegt, de bijenwas die we al eeuwen gebruiken voor kaarsen en verzorgingsproducten, en natuurlijk haar rol als bestuiver in landbouw en tuin. Maar interessant genoeg is de honingbij als individuele bestuiver helemaal niet de meest efficiënte soort – veel wilde bijen zijn daarin nóg effectiever. Het geheim van de honingbij schuilt in haar aantallen en organisatie: doordat zoveel werksters tegelijk actief zijn en elkaar optimaal ondersteunen, levert een volk als geheel een enorme bijdrage aan bestuiving én aan de gezondheid van het ecosysteem.
Wilde bijen
In Nederland leven ongeveer 360 soorten wilde bijen en hommels. Dat is een enorme diversiteit wanneer je bedenkt hoe weinig we er in het dagelijks leven bewust van zien. In tegenstelling tot de honingbij leven de meeste wilde bijen niet in grote volken, maar solitair. Elk vrouwtje maakt haar eigen nest, legt in elke nestcel één ei en voorziet dat van een voorraad stuifmeel en nectar. Daarna laat ze het nest met rust. Het grootste deel van hun ontwikkeling — van ei tot larve, pop en uiteindelijk volwassen bij — doorlopen wilde bijen volledig zelfstandig.
Sommige wilde bijen nestelen in holletjes in hout of in holle stengels, maar het grootste deel — ongeveer tweederde van alle soorten — graaft zelf nestgangen in de grond. Ze maken tunnels in zand, leem of klei, afhankelijk van de soort. Deze verschillende neststrategieën maken wilde bijen sterk afhankelijk van gevarieerde landschappen en voldoende geschikte nestplekken — iets wat in moderne stedelijke en agrarische gebieden steeds schaarser wordt.
Veel wilde bijensoorten zijn bloemvast. Dat betekent dat ze maar op een beperkt aantal plantensoorten vliegen — soms zelfs op maar één enkele soort. Dit maakt ze kwetsbaar, maar ook extreem efficiënt als bestuivers. Waar de honingbij een generalist is, vliegen wilde bijen vaak doelgericht, waardoor ze bloemen sneller en nauwkeuriger bestuiven. Sommige soorten starten al bij lage temperaturen in het vroege voorjaar, wanneer hommels en vroegvliegende zandbijen bestuiving op gang brengen nog voordat honingbijen actief zijn.
Hommels
Hommels behoren ook tot de wilde bijen, maar vormen een aparte groep met hun eigen sociale structuur. Een hommelkolonie is veel kleiner dan een honingbijenvolk—meestal enkele tientallen tot een paar honderd dieren—maar hommels kunnen iets wat geen enkele andere bij zo goed kan: trillingsbestuiving (buzz pollination). Door met hun borstspieren te trillen, schudden ze stuifmeel uit bloemen die anders moeilijk toegankelijk zijn, zoals tomaat, blauwe bes en nachtschaden. Bovendien kunnen hommels in koel en nat weer blijven vliegen, waardoor ze voor veel planten letterlijk de eerste en laatste bestuivers van het seizoen zijn.
Wilde bijen en hommels zijn onmisbaar voor gezonde ecosystemen. Ze houden plantensoorten in stand, ondersteunen voedselketens en stimuleren genetische variatie in wilde flora.